WAJONG: LESSEN UIT HET BUITENLAND?
Rienk Prins is lector Sociale Zekerheid bij ProgreSZ en directeur van AStri, onafhankelijk bureau voor beleidsonderzoek en advies op het gebied van toetreding tot de arbeidsmarkt, behoud van werk en sociale zekerheid rond werk en inkomen.
Op het eerste gezicht lijkt het wat vreemd om te spreken over lessen uit het buitenland als men zich realiseert dat vrijwel alle EU-landen geen specifieke uitkerings- en re-integratieregeling hebben voor jongeren met een beperking1. Buiten Nederland zijn slechts in twee buurlanden bepaalde - op jongeren afgestemde – regelingen in het kader van de ziektewet. Elders vallen jonggehandicapten onder de algemene (“mainstream”) regelingen voor werk en inkomen.
Alleen in het Verenigd Koninkrijk is de Employment and Support Allowance for Youth, die 16-25 jarige personen met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een basisuitkering geeft. De regeling is eind 2008 ingevoerd en over gebruik en resultaten is (nog) weinig bekend. Een jaar langer bestaat in Zweden de Activity Compensation, voor 19-29 jarigen die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Naast een leeftijdsafhankelijke uitkering (maximaal 3 jaar) zijn er (verplichte) maatregelen voor re-integratie naar eigen of ander werk. De uitkeringsinstantie heeft daartoe een gespecialiseerde casemanager in dienst, die regelmatig contact met de cliënt heeft en de voortgang beoordeelt. Ook over deze recente regeling is weinig aanvullende evaluatieve informatie beschikbaar.
In 2009 heeft de European Foundation for the Improvement of Working and Living Conditions een conferentie gewijd aan jongeren met gezondheidsproblemen of arbeidsongeschiktheid2. Daar werd geconstateerd dat de situatie in veel landen vergelijkbaar is: de aandacht en bezorgdheid over de situatie van jongeren met beperkingen neemt toe omdat deze groep snel groeit. Jongeren met beperkingen die de arbeidsmarkt betreden hebben met twee risico‟s te maken: concurrentie op het terrein van kennis, vaardigheden en werkervaringen alsmede kans op discriminatie vanwege hun handicap.
Verder werd een aantal aspecten in kaart gebracht, die in elk land van belang lijken te zijn voor het beleid en uitvoering van maatregelen en voorzieningen.
Ook een enkele buitenlandse evaluatiestudie op het vlak van re-integratie geeft een aantal inzichten om de maatschappelijke en arbeidsparticipatie van (jong-) gehandicapten te vergroten.3 Toch is een eerste constatering van de eerder genoemde conferentie dat in veel landen eigenlijk nog weinig betrouwbare gegevens beschikbaar zijn. Wel blijken (ook) elders psychische problemen te overheersen bij jongeren die een beroep doen op arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Voor het beleid is er wel een aantal voorzichtige conclusies en lessen te trekken uit de – relatief beperkte - ervaringen in andere landen met (arbeids-)re-integratie van jongeren met gezondheidsbeperkingen.
1 Borghouts - van de Pas, I.W.C.M., & Pennings, F.J.L. (2008). Arbeidsparticipatie van jonggehandicapten: Een onderzoek naar Europese systemen en praktijken. Tilburg: OSA.
2 Eurofound (2010) Active inclusion of young people with disabilities or health problems - Background paper, Dublin.
3 Bijv.: Hasluck, C. & Green, A.E. (2007) What works for whom? A review of evidence and meta-analysis for the Department for Work and Pensions
Allereerst dienen we ons te realiseren dat deze “doelgroep” zeer heterogeen is, zowel qua aard van beperkingen, leerproblemen of voltooid opleidingsniveau, als qua sociale vaardigheden en problemen (mobiliteit, huisvesting). Beleid zal met die diversiteit rekening moeten houden, zowel bij een betere overgang naar werk van jongeren die een opleiding hebben afgerond, als bij jongehandicapten met bijvoorbeeld multiproblematiek en een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Een tweede pijler onder het beleid, die in Nederland door de veranderingen in de sociale zekerheid al aardig is aangebracht, betreft de focus op capaciteiten in plaats van beperkingen. “Empowerment” van de cliënt moet het leidende principe zijn, in plaats van een nadruk op de kwetsbaarheid van de jongere of op de mate van zijn/haar arbeidsongeschiktheid.
Een derde conclusie, die ook voor Nederland geldt, is de noodzaak van een betere samenwerking of afstemming van de organisaties waarmee de jongere gehandicapte te maken heeft. Daarbij kan het gaan om de overgang van school naar werk, waarbij gebrek aan continuïteit van de dienstverlening in veel landen een belangrijk obstakel blijkt te zijn. Anderzijds verwijst men naar het gebrek aan afstemming en heldere regie van allerlei “loketten” waar jonggehandicapten mee te maken kunnen hebben (uitkerings- zorg-, arbeidsmarktinstanties).
Wat (effectieve) maatregelen betreft is men in veel landen nog zoekende. Soms wordt gedacht aan de invoering van een quoteringsregeling en meer plaatsing van jongeren in de sociale werkvoorzieningen. Andere aandachtspunten hebben te maken met een betere aansluiting van onderwijs en werk, of maatregelen om de houding van werkgevers ten aanzien van jongeren met een beperking te veranderen.
Wat betreft de dagelijkse uitvoering en dienstverlening aan jonggehandicapten is elders een aantal lessen en ervaringen. Behalve om bewustwording en voorlichting (aan werkgevers en werkcollega‟s of familie van de cliënten) gaat het bijvoorbeeld om:
- vroegtijdige interventie en actieve benadering van de doelgroep: voor de passieven onder de jonggehandicapten is een “outreach” benadering nodig, dus niet standaard wachten tot de cliënt zich aandient;
- criteria, intake, beoordeling en cliëntbenadering moeten gericht zijn op “wat men nog kan” en “wat versterkt kan worden” (“empowerment”);
- samenvoegen van loketten en budgetten (“one stop shop”) en afspreken wie van de dienstverleners de regie voert en daarmee de bevoegdheid heeft activiteiten en voorzieningen op elkaar af te stemmen (bijv. in geval ook zorgtrajecten blijven doorlopen);
- begeleiding en aan het werk helpen van jongeren met beperkingen is arbeidsintensief; uitvoerders dienen casemanagers meer tijd en ruimte te geven dan zij voor cliënten zonder gezondheidsproblemen beschikbaar stellen;
- een vast aanspreekpunt voor de werkgever die een gehandicapte jongere in dienst neemt en nazorg (na plaatsing) die zich niet beperkt tot de jongere, maar ook beschikbaar blijven voor vragen van de werkgever.
Dr. Rienk Prins








